Ga elkaar voor

In het Nieuwe Testament is het volgen van geestelijke leiders geen vreemd of verdacht concept, maar een wezenlijk onderdeel van discipelschap. Hebreeën 13:7 roept gelovigen op om naar de levenswandel van hun voorgangers te kijken en hun geloof na te volgen, terwijl Paulus zonder terughoudendheid zegt: “Wees navolgers van mij, zoals ik navolger van Christus ben” (1 Korinthe 11:1). Tegelijkertijd is deze beweging veel breder dan de relatie tussen voorganger en gemeente.

Het Nieuwe Testament tekent een gemeenschap waarin gelovigen voortdurend van elkaar ontvangen, elkaar vormen en elkaar voorgaan: ouderen en jongeren, ouders en kinderen, mannen en vrouwen, vrienden en geestelijke generaties. Christelijk leiderschap is daarmee niet alleen verticaal, maar ook relationeel en wederkerig. We hebben mensen nodig die ons voorgaan, maar we zijn tegelijkertijd geroepen om zelf voor anderen navolgbaar te worden. De centrale vraag is daarom niet alleen wie volg jij?, maar ook: wie kan iets van Christus volgen in jouw leven?

Geestelijk leiderschap

Hebreeën 13 geeft ons een opvallend criterium voor geestelijk leiderschap:

“Denk aan uw voorgangers, die het Woord van God tot u gesproken hebben. Let op de uitkomst van hun levenswandel, en volg hun geloof na.”
— Hebreeën 13:7

De schrijver zegt niet alleen: luister naar wat zij leren, maar: kijk naar hoe zij leven. Let op hun levenswandel, kijk naar de vrucht en volg vervolgens hun geloof na. Daarmee verbindt het Nieuwe Testament geestelijk gezag onlosmakelijk aan navolgbaar leven.

Dat raakt aan een fundamenteel apostolisch principe. Het Koninkrijk wordt niet alleen doorgegeven door prediking, onderwijs en bediening, maar door mensen in wie de werkelijkheid van Christus zichtbaar is geworden. Waarheid krijgt gestalte in een leven en wordt van generatie op generatie vermenigvuldigd.

Geestelijk leiderschap begint daarom niet bij een positie, titel of podium, maar bij de vraag: is er iets van Christus in mijn leven dat voor een ander navolgbaar is?

Iedereen

En misschien gaat die vraag uiteindelijk ons allemaal aan. Want hoewel niet iedereen geroepen is tot dezelfde leiderschapsfunctie, zijn we allemaal geroepen om ergens iemand voor te gaan.

“Wees navolgers van mij, zoals ik navolger van Christus ben.”
— 1 Korinthe 11:1

Een van de meest indringende uitspraken van Paulus over geestelijk leiderschap is tegelijkertijd een van de eenvoudigste: “Wees navolgers van mij.” Voor onze moderne oren kan dat bijna ongemakkelijk klinken. We zijn gewend leiderschap te definiëren in termen van visie, invloed, competentie, communicatie, strategie en organisatie. Paulus legt de lat ergens anders. Voor hem heeft geestelijk leiderschap uiteindelijk te maken met een leven dat zo door Christus gevormd is, dat anderen iets van Christus kunnen leren door naar dat leven te kijken.

Het Griekse woord dat Paulus gebruikt is μιμητής (mimētēs), verwant aan μιμέομαι (miméomai): imiteren, navolgen, een voorbeeld overnemen. Ons woord imitatie ligt in dezelfde betekeniswereld. Daarmee introduceert Paulus een fundamenteel principe van nieuwtestamentisch leiderschap: waarheid wordt niet uitsluitend onderwezen; waarheid wordt belichaamd. Het evangelie wordt verkondigd, maar het krijgt tegelijkertijd zichtbare gestalte in mensen.

Daarom kan Paulus zonder terughoudendheid zeggen: “Word mijn navolgers” (1 Korinthe 4:16). Aan de Filippenzen schrijft hij: “Wees met elkaar mijn navolgers en houd het oog gericht op hen die zó wandelen, zoals u ons tot een voorbeeld hebt” (Filippenzen 3:17). De Thessalonicenzen waren “navolgers geworden van ons en van de Heere” (1 Thessalonicenzen 1:6). Hebreeën roept gelovigen op navolgers te zijn van hen “die door geloof en geduld de beloften beërven” (Hebreeën 6:12), en later: “Let op de uitkomst van hun levenswandel, en volg hun geloof na” (Hebreeën 13:7).

Er ontstaat daarmee een apostolische lijn van overdracht: Christus → leiders → gelovigen → anderen.

Het evangelie wordt niet alleen uitgelegd. Het wordt geleefd, waargenomen, ontvangen en vervolgens opnieuw belichaamd.

We hebben mensen nodig die ons voorgaan

Daarom is het niet onbijbels om geestelijke leiders te volgen. Integendeel: het Nieuwe Testament veronderstelt dat er mensen zijn wier geloof en levenswandel navolgbaar zijn geworden. Het probleem ontstaat niet wanneer we voorbeelden hebben, maar wanneer menselijke voorbeelden de plaats van Christus innemen.

Paulus schrijft:

“Wat u ook geleerd en ontvangen en gehoord en in mij gezien hebt, doe dat.”
— Filippenzen 4:9

Let op de beweging: geleerd, ontvangen, gehoord én gezien.

Daarmee gaat Paulus veel verder dan informatieoverdracht. Christelijke vorming is relationeel en observationeel. We leren niet alleen door proposities te verwerken, maar door langdurig te zien hoe iemand bidt, beslissingen neemt, met geld omgaat, onder druk reageert, conflicten hanteert, zijn fouten erkent, zijn gezin liefheeft, met gezag omgaat en God blijft vertrouwen wanneer beloften nog niet zichtbaar zijn.

Dallas Willard verwoordde discipelschap treffend als het proces waarin iemand leert van Jezus te leven zoals Jezus zou leven wanneer Hij die persoon was.[^1] Dat maakt discipelschap wezenlijk anders dan het kopiëren van een religieuze persoonlijkheid. Het gaat om het leren leven onder de heerschappij van Christus.

Paulus begrenst daarom zijn eigen navolgbaarheid onmiddellijk:

“…zoals ik navolger van Christus ben.”
— 1 Korinthe 11:1

Daar ligt de grens van ieder apostolisch, profetisch, pastoraal of bestuurlijk gezag. Christus blijft de hermeneutische norm waarmee de leider wordt gelezen. Wij volgen een leider nooit absoluut. Wij volgen hem of haar voor zover Christus daarin herkenbaar wordt.

Christus in ons: de grens én bron van navolging

Hier komen we bij een cruciaal onderscheid. Wij volgen uiteindelijk niet eenvoudigweg de mens in de ander; wij herkennen en volgen Christus in de ander. En wanneer wij zelf voorgaan, is het evenmin de bedoeling dat anderen onze persoonlijkheid, culturele voorkeuren, eigenaardigheden, communicatiestijl of onvolwassen patronen reproduceren.

Paulus noemt het geheim dat eeuwenlang verborgen was:

“Christus onder u, de hoop op de heerlijkheid.”
— Kolossenzen 1:27

En even verder:

“Zoals u dan Christus Jezus, de Heere, hebt aangenomen, wandel in Hem.”
— Kolossenzen 2:6

De bron én het doel blijven Christus.

Dat betekent dat christelijke gemeenschap in haar diepste betekenis een voortdurende transformerende beweging is van Christus' kracht in mij naar Christus in jou. Wat van Christus in de ander zichtbaar wordt — geloof, liefde, heiligheid, wijsheid, moed, genade, gehoorzaamheid, volharding en de vrucht van de Geest — mogen wij herkennen, ontvangen en navolgen. Vanuit Christus in ons mogen wij vervolgens hetzelfde aan anderen doorgeven.

Daarom kan Paulus tegelijkertijd zeggen:

“Niet meer ik leef, maar Christus leeft in mij.”
— Galaten 2:20

én:

“Wees navolgers van mij.”
— 1 Korinthe 11:1

Die twee uitspraken mogen nooit van elkaar worden losgemaakt.


Volg mij waar Christus in mij zichtbaar wordt.

Dat vraagt geestelijk onderscheidingsvermogen. Niet alles wat uit een christen voortkomt, komt automatisch uit Christus voort. Ook een gezalfde leider kan reageren vanuit het vlees (sarx), vanuit ego, gekwetstheid, angst, ambitie, culturele conditionering, onvolwassenheid of onverwerkte patronen. Paulus maakt dat onderscheid scherp wanneer hij de werken van het vlees tegenover de vrucht van de Geest plaatst (Galaten 5:16–25; vgl. Romeinen 8:5–14 en 1 Korinthe 3:1–3).

Geestelijke navolging is daarom nooit kritiekloze imitatie. Het vraagt onderscheiding.

We ontvangen van Christus in de ander en geven vanuit Christus in ons. Wat slechts persoonlijkheid is, mag persoonlijkheid blijven. Wat ziels of vleselijk is, moet niet worden vermenigvuldigd, maar onder het kruis en onder de vernieuwende werking van de Heilige Geest worden gebracht.

Het doel van discipelschap is immers niet dat Christus’ lichaam uiteindelijk bestaat uit duizenden kleinere versies van sterke leiders. Paulus verlangt:

“…totdat Christus gestalte in u krijgt.”
— Galaten 4:19

En:

“…wij worden van gedaante veranderd naar hetzelfde beeld, van heerlijkheid tot heerlijkheid, zoals dit door de Geest van de Heere bewerkt wordt.”
— 2 Korinthe 3:18

Gezonde navolging reproduceert dus niet de leider. Zij reproduceert Christus die door de leider zichtbaar is geworden.

De apostolische test van leiderschap: wat wordt er na jou vermenigvuldigd?

Dit brengt ons bij een dimensie die in hedendaagse leiderschapscultuur gemakkelijk verloren gaat. Bijbels leiderschap moet niet alleen worden beoordeeld naar wat iemand verzamelt, maar ook naar wat iemand vermenigvuldigt.

Een bediening kan groot worden zonder werkelijk discipelen voort te brengen. Een leider kan duizenden luisteraars hebben terwijl bijna niemand leert zelf geestelijke verantwoordelijkheid te dragen. Een kerk kan sterk rond één charismatische persoonlijkheid functioneren en toch zwak zijn in reproductief discipelschap.

Het Nieuwe Testament beweegt precies de andere kant op.

Paulus schrijft aan Timotheüs:

“En wat u van mij gehoord hebt onder vele getuigen, vertrouw dat toe aan trouwe mensen die bekwaam zijn om ook anderen te onderwijzen.”
— 2 Timotheüs 2:2

Daar zijn minstens vier generaties zichtbaar:

Paulus → Timotheüs → betrouwbare mensen → anderen.

Dat is apostolische vermenigvuldiging.

Robert Coleman benadrukte in The Master Plan of Evangelism dat Jezus Zijn strategie voor wereldwijde impact niet primair bouwde op massa’s, maar op mensen in wie Hij Zijn leven investeerde en die vervolgens anderen konden bereiken.[^2] Het Koninkrijk vermenigvuldigt zich door mensen die anderen leren leven onder de heerschappij van Christus.

Daarom kan geestelijk leiderschap nooit tevreden zijn met bewonderaars. Het zoekt zonen en dochters die volwassen worden; discipelen die zelf discipelen maken; leiders die nieuwe leiders voortbrengen.

Vijfvoudige bediening moet volwassenheid produceren

Dat is precies de logica van Efeze 4. Christus geeft apostelen, profeten, evangelisten, herders en leraren niet zodat deze vijf bedieningen permanent al het geestelijke werk uitvoeren, maar:

“…om de heiligen toe te rusten tot het werk van dienstbetoon, tot opbouw van het lichaam van Christus.”
— Efeze 4:12

De vijfvoudige bediening is daarom niet bedoeld om geestelijke afhankelijkheid te institutionaliseren. Haar opdracht is juist toerusting, activering en volwassenwording.

Het uiteindelijke doel staat enkele verzen verder: dat wij niet langer onmondige kinderen zijn, maar “in alles toe zouden groeien naar Hem Die het Hoofd is, namelijk Christus” (Efeze 4:14–15).

Dat is een belangrijke apostolische correctie op leiderschapsculturen waarin alles rond de leider blijft draaien. Gezond leiderschap maakt zichzelf op bepaalde terreinen uiteindelijk minder noodzakelijk. De leraar leert mensen zelf het Woord onderzoeken. De profeet helpt mensen de stem van God bijbels te onderscheiden. De evangelist mobiliseert gelovigen tot getuigenis. De herder vormt mensen die anderen kunnen verzorgen. De apostel bouwt mensen en structuren waardoor het werk verder kan gaan dan zijn eigen aanwezigheid.

Het bewijs van bediening is daarom niet alleen wat er voor een leider gebeurt, maar wat er door anderen begint te gebeuren.

Een voorganger staat niet alleen op een podium

Het Nederlandse woord voorganger helpt ons daarbij. Een voorganger is letterlijk iemand die voor-gáát. Dat begint niet op het kerkelijke podium. Het begint thuis.

In een huwelijk kunnen man en vrouw elkaar voorgaan. Niet omdat rollen, roeping of verantwoordelijkheid betekenisloos worden, maar omdat beiden momenten kennen waarop zij de ander richting Christus leiden. De één gaat voor in vergeving. De ander in geloof. De één neemt initiatief tot gebed. De ander bewaart vrede wanneer spanning ontstaat. De één houdt hoop wanneer de ander vermoeid raakt. De ander spreekt waarheid wanneer de één iets niet meer helder ziet.

Daarom zegt Paulus:

“Wees elkaar onderdanig in de vreze Gods.”
— Efeze 5:21

En:

“Ga elkaar voor in eerbetoon.”
— Romeinen 12:10

Christelijk leiderschap is dus nooit uitsluitend ‘verticaal’. Binnen het lichaam van Christus bestaat een krachtige wederkerigheid van voorbeeld en navolging.

Soms ga ik jou voor. Soms ga jij mij voor.

Dat maakt de gemeenschap niet gezagloos; het maakt haar organisch. Christus kan door verschillende leden van Zijn lichaam verschillende aspecten van Zijn karakter en wijsheid zichtbaar maken.

Het gezin is een primaire discipelschapsomgeving

Voor kinderen wordt dit principe nog concreter. Deuteronomium 6 plaatst geloofsvorming midden in het gewone leven:

“U moet ze uw kinderen inprenten en erover spreken, als u in uw huis zit en als u over de weg gaat, als u neerligt en als u opstaat.”
— Deuteronomium 6:7

Geloofsoverdracht vindt dus niet uitsluitend plaats tijdens een formeel onderwijs- of gemeentemoment. Zij vindt plaats tijdens eten, reizen, conflicten, teleurstellingen, geldzaken, vakanties, vergeving, gastvrijheid, ziekte, werk en gebed.

Charlotte Mason vatte vorming samen met de bekende woorden:

“Education is an atmosphere, a discipline, a life.”[^3]

Die gedachte is bijzonder bruikbaar voor christelijke gezinsvorming. Kinderen worden niet alleen gevormd door wat hun expliciet wordt verteld. Zij worden gevormd door de atmosfeer waarin zij leven, door terugkerende gewoonten en door wat zij hun ouders daadwerkelijk zien doen.

Een kind dat zijn ouders hoort spreken over gebed maar hen zelden ziet bidden, ontvangt twee boodschappen. Een kind dat onderwijs krijgt over vergeving maar ziet dat conflicten jarenlang blijven liggen, wordt eveneens gevormd. Maar een kind dat zijn vader of moeder hoort zeggen: “Ik zat fout. Wil je mij vergeven?”, krijgt een levende demonstratie van het evangelie.

Dat ligt opvallend dicht bij Paulus’ miméomai. Kinderen reproduceren niet alleen wat wij hun leren. Zij nemen patronen over van wat zij ons zien leven.

Daarom is 2 Timotheüs 1:5 zo betekenisvol. Paulus herinnert Timotheüs aan het ongeveinsde geloof “dat eerst gewoond heeft in uw grootmoeder Loïs en uw moeder Eunice”. Nog voordat Timotheüs apostolisch door Paulus werd gevormd, bestond er een intergenerationele geloofslijn in zijn familie.

Revival zonder generaties wordt een gebeurtenis. Koninkrijk bouwt generaties.

Ook generaties moeten elkaar voorgaan

Paulus maakt dit principe expliciet in Titus 2. Oudere mannen en vrouwen moeten een levenswijze ontwikkelen die navolgbaar wordt voor jongere generaties. De oudere vrouwen moeten “leraressen zijn van het goede”, zodat zij jongere vrouwen kunnen vormen (Titus 2:2–5).

Dat is opmerkelijk, omdat Paulus geestelijke vorming daarmee niet volledig professionaliseert. Niet iedere vormende relatie hoeft via een officieel kerkelijk ambt te lopen.

De oudere generatie draagt iets wat de jongere generatie nodig heeft: ervaring, littekens, volharding, wijsheid en een geschiedenis met God. Maar de beweging kan ook andersom plaatsvinden. Paulus zegt tegen de jonge Timotheüs:

“Laat niemand u minachten vanwege uw jeugdige leeftijd, maar wees een voorbeeld voor de gelovigen in woord, in wandel, in liefde, in geest, in geloof en in reinheid.”
— 1 Timotheüs 4:12

Een jongere gelovige kan dus eveneens voorgaan.

Het Koninkrijk kent orde en gezag, maar leeftijd alleen bepaalt niet waar Christus op een bepaald moment het duidelijkst zichtbaar wordt.

Ook vrienden discipelen ons

Hetzelfde principe werkt binnen vriendschappen.

“Wie met wijzen omgaat, zal wijs worden.”
— Spreuken 13:20

En:

“Zoals men ijzer met ijzer scherpt, zo scherpt een man het gezicht van zijn naaste.”
— Spreuken 27:17

Wij beïnvloeden elkaar voortdurend. Daarom is de vraag met wie ga ik om? geestelijk veel belangrijker dan zij soms lijkt.

Je vrienden beïnvloeden wat je normaal gaat vinden. Je leert van hun omgang met geld, huwelijk, seksualiteit, werk, gezag, gebed, conflicten, ambitie, teleurstelling en succes. En zij leren hetzelfde van jou. Iedere langdurige relatie heeft een vormende werking.

Daarom bestaat er uiteindelijk geen volledig neutrale gemeenschap. Mensen vormen mensen. De enige vraag is: waartoe worden we gevormd? Naar Christus? Naar de cultuur? Naar de persoonlijkheid van een leider? Naar cynisme? Naar geloof? Naar angst? Naar heiligheid? Naar ambitie?

Geestelijke volwassenheid vraagt dat we ons bewust worden van die vormende krachten.

Een gezonde kerk is een gemeenschap van navolging

Een gezonde kerk heeft daarom leiders nodig, maar zij bestaat niet uit één leider met honderden passieve volgers. Zij is een gemeenschap waarin navolgbaar leven zich steeds verder vermenigvuldigt.

De voorganger gaat de gemeente voor. De oudere gelovige gaat een jongere voor. Een ondernemer gaat een andere ondernemer voor in integriteit. Een echtpaar gaat een jonger echtpaar voor in verbondstrouw. Een bidder leert iemand anders bidden. Een geestelijk volwassen vrouw helpt een jongere vrouw. Een vader leert een andere vader geestelijke verantwoordelijkheid te dragen. Een profetisch begaafd persoon leert een ander niet alleen profeteren, maar ook toetsen. Een leider die door lijden heen trouw is gebleven, leert een volgende generatie volharden.

En soms gaat juist een jongere generatie de oudere voor in geloof, moed, vernieuwing of hernieuwde toewijding. Niet iedereen heeft dezelfde positie, roeping, gave, zalving of verantwoordelijkheid. Evenmin bevindt iedereen zich in hetzelfde seizoen van het leven of op hetzelfde punt in zijn of haar wandel met God. Toch kan iedereen ergens in voorgaan.

Iedereen kan 'iets' hebben

Daarin ligt het principe van: iedereen heeft iets. Waar een levende relatie met Christus is, ontstaat iets van Zijn leven dat ontvangen en doorgegeven kan worden. Waar die levende werkelijkheid ontbreekt, is er uiteindelijk ook weinig geestelijks om te delen. Mensen vermenigvuldigen immers wat in hen leeft; zo werkt menselijke vorming. We dragen voortdurend iets van onszelf over — bewust of onbewust — in onze woorden, waarden, gewoonten, overtuigingen en levenswandel. De beslissende vraag is daarom niet óf wij onszelf vermenigvuldigen, maar wat wij vermenigvuldigen. Komt wat wij doorgeven voort uit Christus en het werk van Zijn Geest in ons, of reproduceren we vooral onze eigen vlees, voorkeuren, verwondingen, tradities, ambities en patronen? Geestelijk leiderschap begint daarom bij een levende verbondenheid met Christus: alleen wat eerst in ons door Hem gevormd wordt, kan als leven van Christus aan anderen worden doorgegeven.

Dat is misschien een van de belangrijkste verschuivingen die nodig zijn in ons denken over kerk en leiderschap. Wij hebben niet alleen betere voorgangers nodig. Wij hebben gemeenschappen nodig waarin gelovigen leren elkaar voor te gaan.

Je kunt daar een sterke ecclesiologische laag aan toevoegen: samenkomsten zijn niet alleen momenten van onderwijs of aanbidding, maar ook plaatsen van wederzijdse vorming. Door de Geest worden we niet uitsluitend individueel veranderd in de verborgen omgang met God, maar ook corporatief, doordat we Christus in elkaar ontmoeten, elkaars geloof zien, ontvangen en navolgen.

Dit verklaart ook waarom het belangrijk is om deel te blijven nemen aan de samenkomsten van de gemeente. De schrijver van Hebreeën verbindt volharding in het geloof nadrukkelijk met het niet nalaten van de onderlinge bijeenkomsten, maar juist met elkaar aansporen en bemoedigen (Hebreeën 10:24–25). De samenkomst is daarmee meer dan een plaats waar we informatie ontvangen of een preek beluisteren. Er ligt een geestelijk geheimenis in het samenkomen van het lichaam van Christus: door de Heilige Geest worden we in elkaars aanwezigheid gevormd.

Paulus schrijft dat wij, terwijl wij de heerlijkheid van de Heere aanschouwen, “naar hetzelfde beeld” worden veranderd, “van heerlijkheid tot heerlijkheid, zoals dit door de Geest van de Heere bewerkt wordt” (2 Korinthe 3:18). Die transformatie is persoonlijk, maar nooit uitsluitend individualistisch. De Geest werkt in het lichaam. We ontmoeten Christus niet alleen rechtstreeks in gebed en Schrift, maar herkennen ook iets van Hem in het geloof, de aanbidding, de gaven, de heiligheid, de wijsheid en de volharding van andere gelovigen.

Daarom kan aanwezigheid in de gemeente vormend zijn, zelfs wanneer wij niet precies kunnen aanwijzen wat er op dat moment in ons verandert. Wij horen anderen bidden, zien geloof worden uitgeoefend, ontvangen correctie, worden bemoedigd door getuigenissen, leren van geestelijke vaders en moeders, worden aangescherpt door broeders en zusters en nemen deel aan een gezamenlijke gerichtheid op Christus. Door dat alles heen werkt de Geest.

Geheimenis

Er ligt daarom een geheimenis van transformatie in het samenkomen. Wij komen niet alleen om iets te ontvangen van een podium, maar om samen voor het aangezicht van Christus te staan en door Zijn Geest gevormd te worden. Soms gebeurt dat door het Woord, soms door aanbidding, soms door gebed, soms door een gesprek, soms eenvoudigweg doordat wij langdurig optrekken met mensen in wie Christus zichtbaar wordt.

Dat maakt ook duidelijk waarom langdurige afzondering van het lichaam geestelijk riskant kan worden. Wie zichzelf structureel onttrekt aan de gemeenschap, mist niet alleen bijeenkomsten, maar ook een belangrijk deel van Gods vormende huishouding; de wederzijdse werking waardoor leden van het lichaam elkaar opbouwen. Zoals Paulus schrijft, groeit het lichaam wanneer ieder deel “naar de mate waarin ieder deel werkzaam is” bijdraagt aan de opbouw van het geheel (Efeze 4:16).

De gemeente is daarom niet slechts een plaats waar wij naartoe gaan. Zij is een geestelijke omgeving waarin wij door de Geest leren Christus te herkennen, ontvangen en weerspiegelen — en waarin wij, vaak zonder het volledig te beseffen, door elkaars geloof worden veranderd.

Wie volg jij — en wie volgt jou?

Daarmee blijven twee onvermijdelijke vragen over.

De eerste is:

Wie volg jij?

Paulus zegt: “Houd het oog gericht op hen die zó wandelen” (Filippenzen 3:17). Welke mensen hebben toegang tot jouw denken? Welke leiders vormen jouw theologie? Welke stemmen beïnvloeden jouw beeld van God? Welke vrienden vormen jouw karakter? Welke voorbeelden hebben ongemerkt bepaald wat jij normaal bent gaan vinden?

Niet iedere populaire stem verdient navolging. Niet iedere grote bediening vertegenwoordigt automatisch geestelijke volwassenheid. Niet iedere zalving is hetzelfde als karakter. Niet iedere gave bewijst dat iemand op ieder terrein navolgbaar is. Kijk daarom niet alleen naar iemands gave. Kijk naar zijn wandel.

Hebreeën zegt niet: bewonder hun platform. Het zegt:

“Let op de uitkomst van hun levenswandel, en volg hun geloof na.”
— Hebreeën 13:7

Maar vervolgens komt de tweede, misschien nog confronterender vraag:

Wie volgt jou?

Je partner ziet je. Je kinderen zien je. Je familie ziet je. Je vrienden zien je. Mensen in je gemeente zien je. Collega’s zien hoe je reageert wanneer iets tegenzit. Jongere leiders kijken hoe jij met macht, kritiek, geld, eer, teleurstelling en succes omgaat. En waarschijnlijk nemen mensen meer van ons over dan wij beseffen. Daarom begint geestelijk leiderschap niet wanneer iemand een titel krijgt. Het begint zodra jouw leven voor iemand anders een referentiepunt wordt.

Ga elkaar voor

De opdracht van het Nieuwe Testament is daarom groter dan: zoek een goede leider. Zoek mensen die jou voorgaan naar Christus. Volg hun geloof waar het Christus weerspiegelt. Ontvang van Christus in hen. Toets wat menselijk, ziels of vleselijk is. Laat Christus vervolgens steeds dieper gestalte in jou krijgen. En leef zó vanuit Christus in jou, dat anderen iets van Hem kunnen herkennen en navolgen in jouw leven.

Zoals Paulus het samenvatte:

“Wees navolgers van mij, zoals ik navolger van Christus ben.”
— 1 Korinthe 11:1

Dat is geestelijk leiderschap.

Niet: kijk naar mij. Maar: kijk naar Christus — en als je iets van Hem in of door mij ziet of ervaart, volg dat dan, ontvang dat in je geest.  

En wanneer Christus vervolgens steeds zichtbaarder wordt in jou, ga jij weer iemand anders voor. Zo beweegt het Koninkrijk door generaties. Zo wordt geloof overgedragen. Zo worden discipelen leiders en leiders vaders en moeders. Zo groeit het lichaam “naar Hem Die het Hoofd is, namelijk Christus”.

In het Koninkrijk zijn we daarom niet alleen geroepen om voorgangers te volgen. We zijn geroepen om Christus in elkaar te herkennen, te ontvangen en zo elkaar voor te gaan.

Sven Leeuwestein



[^1]: Dallas Willard formuleert discipelschap als het leren om ons eigen leven te leiden zoals Jezus ons leven zou leiden wanneer Hij in onze plaats was: “As a disciple of Jesus I am with him learning to be like him—learning to lead my life as he would lead my life if he were I.” Dallas Willard, Bringing Truth to Life, materiaal gepubliceerd via The Navigators.

[^2]: Robert E. Coleman, The Master Plan of Evangelism (Grand Rapids, MI: Revell). Coleman beschrijft Jezus’ concentratie op een relatief kleine groep discipelen als een bewuste strategie van vorming en vermenigvuldiging. In zijn behandeling van “Association” benadrukt hij dat Jezus’ trainingsmethode in belangrijke mate bestond uit het feit dat de discipelen bij Hem waren en Zijn leven konden observeren.

[^3]: Charlotte M. Mason, An Essay Towards a Philosophy of Education, vol. 6 van de Home Education Series (London: Kegan Paul, Trench, Trubner & Co., 1925), hoofdstuk 6. Mason formuleert daar haar bekende pedagogische uitgangspunt: “Education is an atmosphere, a discipline, a life.”


Recente artikelen

Archief

Categorieën

Tags